Status van een lichten
De schaduw van een belicht blad
in een belichte nacht
springt,
als een levende kikker
die als hij neervalt, dood is.
Die in de wind ligt.
Die als de wind ligt, dood is.
De schaduw van een belicht blad
in een belichte nacht
springt,
als een levende kikker
die als hij neervalt, dood is.
Die in de wind ligt.
Die als de wind ligt, dood is.
Ze steelt kunst, met haar ogen.
Dat klinkt wat klef totdat je het ziet;
moordlustig, gulzig, een vinger
bijt ze af door hem op
haar lip te leggen, haar
verminkingen voert ze
stilstaand uit.
Met elke bakker komt een nieuw seizoen
Twee lepeltjes, aan de toonbank in een beker/tas/kom, doorgaan ze alle
Dit ene lepeltje is ooit verruild, gegaan
van bakkersvrouw tot bakkersvrouw
enz. : thema’s, de seizoenen en het uitzetten, terug ‘inkruipen’ van de lepeltjes; de geuren van de lepeltjes, "naargelang de suiker, de <???> die ze dragen" ; met die geuren ook de verschillende ‘specialekes’ van een bakker weergeven, ook de deugd/last die het ene lepeltje ondervindt sinds het bij een ander zit, en bij een bakker zit, in plaats van een andere omgeving.
noot: als ik dat goed kies, kan ik in een ander gedicht verwijzen naar het gemis van een lepel.
poëzie was een kaalslag, als tweedraaiend water, vlak,
handen, met gezichten zonder mond, stil en starend bleek,
dat het kraakt.
dat de melk niet overloopt
en je zit op de bodem van de tas
en je blaast
Het uur dat we niets van elkaar wisten
is voorbij
We maken ons weg: de sneeuw
drukt dun onder onze sporen
en wordt morgen door een auto uitgewist -
welk spoor bestaat er nog, dat niet
door anderen is doorsneden?
in vals metrum strijkt het anker naast de klem-
toon. u valt me na, de zeilen zingen, Akkoord,
de Pieten springen, Akkoord, en de witte
schimmel kent ook een jambe,
Uit ‘De Wortels van het Geweld’, Colette Braeckman, p.113:
Sinds de 18de eeuw was de opvolging van de ‘koninklijke trom’ gestructureerd volgens een quartair ritme: de vier koningen die elkaar opvolgden heetten onveranderlijk Ntare, Mwezi, Mutaga en Mwambutsa. De prinsen stelden zich tevreden met hun plaats in de lopende cyclus en bij de opvolging van de koning werden zij in de adelstand opgenomen.
Een boeiend principe. Elke naam heeft een betekenis (Ntare betekent ‘leeuw’ bv. , Mwezi ‘maan’). Dat impliceert een belofte, een bepaalde richting die de koning in kwestie moet uitdragen. Naargelang zijn plaats in de opvolging wordt die richting beslist, alsof hij zich enkel in het noorden kan richting, en zijn voor- en nakomelingen andere winden laten zeilen…
Laat die een principe zijn van een utopisch land. Net zo: laat ze functies geven aan hun eerste zoon, een andere aan hun tweede, een andere aan hun derde. Laat ook deze cyclus verschuiven naargelang de ‘richting’ van de vader zelf. Vergelijk met echte landen: in middeleeuws Spanje waren het de ‘secundones’ die de Nieuwe Wereld moesten koloniseren; de eerste zoon bleef thuis op de landerijen (zie hiervoor teksten van G. Heinsohn…).
In de utopie wordt dit gekoppeld aan een strikte bevolkingspolitiek: er zijn nergens en nooit meer dan 3 kinderen, en dit valt terug naar 2 kinderen in vredestijd. Dit alles met alle tragedies, culturele sublimaties en psychologische gedragingen vandien…
Een verhaal dat me wat deed denken aan de slaapgemeenschap:
Het reglementaire tenzeil dat door de humanitaire NGO’s werd verdeeld, was gemaakt van wit, blauw of groen plastic en vier bij vijf meter groot. Met één zeil moest je maar een schuilplaats zien te maken voor een gezin dat gemiddeld vijf personen telde. Wat man en vrouw in zo’n ruimte deelden, werd ook door hun kinderen gedeeld. En door de buren, want de tenten stonden maar een meter van elkaar en waren flinterdun. Het gebeurde dat je alle bewoners van een groepje tenten ‘s nachts met elkaar hoorde spreken, alsof ze in een zaaltje bijeen zaten. Die nabijheid had iets geruststellends, maar het gebrek aan privacy was tegelijk frustrerend.
Marie Béatrice Umutesi, p.90, ‘Weg van de dood’
tot op grote hoogte bestaat macht uit het vermogen anderen te laten wonen in jouw verhaal over hun werkelijkheid – zelfs wanneer, zoals zo vaak gebeurt, dat verhaal met hun bloed is geschreven.
p.48, "Ze maken ons allemaal dood", Philip Gourevitch
Imperfectum – toneel van vliegende vissen.
Het toneel is boven water.
APIO
Ja, ja, present! Het is mooi, het ruikt lekker.
Maar meteen heen: perfect, perfect, ik moet al afhaken, meteen.
Wat wilt u? Een dromer…
VOSCA
Die domkoppen die zo hoog, zo snel vliegen zijn imbeciel.
Ik ben menselijk: ik voel me weerhouden door al wat ik vergeet.
Ik wil, wat wilt u, met veel omhaal van woorden, langzaam, heel mijn denken in de lucht beschrijven.
PASKO
Ik was, ik was spoorloos bezig de lucht te verdichten. Mijnsgelijken zwegen.
Door twee grote, open wonden aan hun kelen ademden ze moeilijk. Hun armen
bleven aan het bovenlijf gekleefd, alleen de handen aan de heupen sloegen zwak uit.
En toch, als ze begonnen te bewegen, wat een unieke levendigheid in de plantaardige gangen, wat een soepele eensgezindheid in de hemelse lanen!
Geen enkele stem kwam uit hen voort, zelfs niet op z’n allertraagst.
POSKI
Natuurlijk waren er steigerende veulens in de takken, scharnierende tanks om de rotsen te beklimmen.
Een sterke wind duwde me langzaam voort, circuleerde door de hemelverdiepingen, waar hangende tuinen bewogen, die soms in de wijk van de wolkengebouwen de trappen, de monumentale rocailles toedekten.
Onze gelijken verborgen zich erin, ze zetten grote ogen op. Venus, als ik erover nadenk, werd ongetwijfeld elders geboren.
VASCO
Inferieur? Superieur? Wie durft ervoor te tekenen?
Op deze verdieping betreuren de woorden de ruimten van de stilte zonder dat ze er lucht aan geven.
Helaas! Mijn vleugel is onvolmaakt, laten we deze onmogelijke droom vergeten.
IOPA
Zeg eens: de Herinnering wordt vertegenwoordigd in het Imperfectum, naar de Gewoonte der Zee, Piscavio misschien?
- Ook niet.
N.B.: Deze monden kunnen alleen in het heden spreken (boven water) en alleen over de herinnering (onder water). Ze spreken er dus alleen in het imperfectum over, ofwel onvolmaakt.
Ponge, anno 1924
Zelf: het project van Ponge heeft interessante overlappingen met de schetsen voor Apollinien. Ponge’s manier van aanhef, waarbij elk personage relatief geïsoleerd is maar wel over zijn soortgenoten spreekt en onrechtstreeks ingaat op wat voormalig is uitgesproken, is iets wat ik zeker wil houden. Ook het feit dat elk personage gesitueerd wordt, en ook zichzelf plaatst, als een soort wezen, is iets wat ik misschien wil overnemen….